Rasstandaard van de "vijf witte"

Bron: J. de Gids, de Hondenwereld. Het blad voor de rashondenliefhebber, 54/3, 1999, 172. 

Cane da pastore Maremmana-Abruzzese

Chien des Pyrénées

Kuvasz

Slovenský Cuvac

Polski Owcarek Podhalanski (Tatra hond)

MAAT REU / TEEF

65-73 cm

60-68 cm

70-80 cm

65-72 cm

71-75 cm

66-70 cm

62-70 cm

59-65 cm

65-70 cm

60-65 cm

GEWICHT REU / TEEF

35 - 45 kg

30 - 40 kg

+/- 60 kg

+/- 45 kg

40 - 52 kg

30 - 42 kg

niets aangegeven

45 - 55 kg

55 - 55 kg

KLEUR

Wit. Ivoor, licht oranje of licht gele vlekken zijn binnen zekere grenzen acceptabel.

Wit of wit met grijze, licht geel tot oranje vlekken aan het hoofd, de oren en bij de staartaanzet.

Wit. Ivoorkleurig toegestaan.

Uitsluitend wit. Een geelachtige schijn bij de ooraanzet is toegestaan.

Geheel wit. Crèmekleurige nuances zijn ongewenst.

VACHT

Recht. Lichte golf getolereerd. Ondervacht.

Rechte dekvacht van voldoende lengte met ondervacht, lichte golf in de hals.

Grof, hard, kruinen en kammen, vervilten niet toegestaan. Wollige ondervacht. Huid leisteenkleur.

Een dichte ruige pels, zonder franje aan broek en staart. Lengte 5-15 centimeter. Golving. Ondervacht.

Lang, dicht, recht of lichtgolvend, en hard. Veel onderwol. Rijkelijke kraag.

HOOFD

Schedel breed en vlak, lichte stop, snuit iets korter dan de lengte van de schedel. Schaargebit.

Niet te grof, licht gewelfde schedel, verhouding breedte-lengte schedel en lengte voorsnuit ongeveer gelijk. Matige stop. Schaargebit. Tanggebit toegestaan.

Schedel tamelijk lang, slechts licht gewelfd, matige stop. Een korte snuit is fout. Schaargebit.

Lengte snuit bijna gelijk aan die van de schedel. Schedel tamelijk breed. Matige stop. Schaargebit.

Schedel iets gewelfd. Duidelijke stop. Snuitlengte gelijk aan of iets langer dan de schedellengte. Schaargebit. Tanggebit toegestaan.

OREN

Hoog aangezet, klein, driehoekige V-vorm (niet rond). Bij werkhonden is een gecoupeerd oor acceptabel.

Aangezet op ooghoogte.

Hoog aangezet. Middelmatig groot. Stompe V-vorm.

Hoog aangezet. V-vorming en matig rond.

Aangezet op ooghoogte of iets hoger. Driehoekig.

OOGVORM EN -KLEUR

Niet groot, amandelvormig. Okerkleurig tot kastanjebruin.

Vaak klein. Oogopening niet rond. Middelbruin.

Scheef. Amandelvormig. Donkerbruin.

Ovaal. Donkerbruin.

Middelgroot. Iets schuin. Donkerbruin.

LICHAAM EN LICHAAMSVERHOUDINGEN

Wat langer dan hoog. Diep lichaam met goed geronde ribben.

Wat langer dan hoog. Licht geronde ribben.

Iets langer dan hoog. Borst diep, enigszins plat.

Matig vierkant. Brede borst met gewelfde ribben.

Rechthoekig. Teven iets langer dan de reuen. Diepe borst, ribben schuin, maar iets vlak.

STAART

Lang, lager dan de hak reikend. In actie niet hoger dan het verlengde van de ruglijn gedragen.

In rust omlaag hangend met een angel. Wanneer de hond attent is en in gang, het wiel over de rug vormend.

Tot de sprong reikend. Uiteinde iets opgebogen. Geen krul. In opwinding tot de hoogte van de lendenen opgeheven.

Recht, laag aangezet. Tot aan de hiel reikend. In gang en bij opwinding in een boog over de lendenen gedragen.

Niet te hoog aangezet. Onder de ruglijn gedragen. In opwinding daarboven, maar niet gekruld. Pluimvorming.

GANGWERK

Uitgrijpend gangwerk.

Elegant en soepel.

Sierlijke uitgrijpende draf.

Diagonale draf. Vloeiend, elastisch, lichtvoetig.

Niets aangegeven.

KARAKTER

Hoewel trots en niet geneigd tot onderdanig gedrag, kan hij ook een toegewijde band met baas en omgeving tonen.

Niets aangegeven.

Niets aangegeven.

Een geharde, standvastige, leergierige herdershond. Grenzeloos trouw en dapper. Noch nerveus, noch al te veel temperament.

Bedaard, rustig en beheerst. Leergierig en waakzaam.

DUIDELIJK ONDERSCHEIDENDE KENMERKEN

De beerachtige uitstraling door de tamelijk brede schedel en de wat kortere voorsnuit. Opvallend is de oogkleur, die lichter mag zijn dan van alle andere.

Het formaat, de schedelvorm, de lage ooraanzet, de aftekeningen aan het hoofd en de dubbele Hubertusklauwen.

Vorm van het hoofd is wat gestrekter dan dat van de andere. De vacht met zijn typische kruinen.

Zijn gewelfde ribben onderscheiden hem van de andere witte van Centraal-Europa. Het hoofd is zwaarder dan dat van de Kuvasz en het heeft een matige stop in tegenstelling tot de Tatrahond.

Vacht uitsluitend wit. De gewelfde schedel en de duidelijker stop dan de andere maakt het hoofd zeer typisch. Het gewicht t.o.v. het formaat geeft hem meer de uitstraling van een boerenwerkhond.

   terug