|
|
Overeenkomsten en
verschillen van de "vijf witte"
|
|
Bron: J. de
Gids, de Hondenwereld. Het blad voor de rashondenliefhebber,
54/3, 1999, 164-171. De herkenning van de grote
witte herdershondenrassen leidt niet alleen onder de
niet-rashondenkenners tot wanhoop, ook doorwinterde kynologen hebben
het er vaak moeilijk mee. Zijn er in uiterlijk tussen
deze rassen nog wel een paar kleine verschillen aan te geven, in
werk komen ze elkaar zeer nabij. Het waren geen herdershonden zoals
wij die meestal voor ogen hebben. De
meeste van onze herdershonden zijn schepershonden. Ze hoeden het vee
samen met een herder, daarbij |

|
voorkomend dat de consumptiegewassen
voor ander vee en de mens in de magen van de schapen verdwijnen.
Daarnaast zijn er drijvers, deze drijven het vee ook weer samen met
de herder van de ene plaats naar de andere en er zijn de bewakers
van het erf. In de vaak veel ruigere gebergten had men honden met
andere kwaliteiten nodig. Forse wachters, bewakers van de kudde, die
zorgden dat wolven, beren en rovers op twee benen geen kans kregen.
De Pyreneese berghond volgde de herder met zijn kleine Berger des
Pyrénées, die de kudde hoedde, en kwam vooral in de nacht, wanneer
kudde, herder en herdertje rustten, bij onraad in actie. De Maremma
bewaakte zowel op de vlakte als in de bergen de kuddes schapen,
runderen en paarden. De Hongaarse Kuvasz was een hond die eerst toch
een zekere status betekende voor zijn eigenaar en was dus in handen
van de heersende klasse. Pas later kwam hij als bewaker van de kudde
in dienst van de eenvoudigere boeren. De Slovenký Cuvac bewaakte de
kudden in de woeste bosgebieden van de zich uitstrekkende uitlopers
van het Tatragebergte. Het noordelijke deel van dit laatste gebergte
is de plaats waar de Goralen wonen. Een bergvolk dat hun witte Polski Owcarek
Podhalanski gebruikte voor hetzelfde werk.
Het karakter van de witte
rassen lijkt erg op elkaar. Vaak werd er verwacht dat zij alleen
zouden werken. Het zijn dan ook onafhankelijke
honden, die met een goede baas weliswaar een goede band kunnen
opbouwen, maar ze zijn nooit slaafs. Het zijn geen allemansvrienden.
Het beschermen van kudde, huis en haard zit hen in het bloed. Het
blijft gissen waarom er nu juist zoveel witte honden zijn en waren
onder de bewakers van de kudden van Europa. De meest gangbare
verklaring is de mate van herkenning, wanneer de herder zijn de hond
te hulp moet komen op moment dat deze in gevecht is met een beer,
wolf of lynx. Dat is alleen maar nuttig: het wit onderscheidt hem in
dat geval van de meestal anderskleurige vacht van het wilde dier.
|
|
|
|
|
|
|
|
Cane da pastore
Maremmana-Abruzzese
|
|
De cane da pastore
Maremmano-Abruzzese (CPMA) is van de zogenaamd "vijf
witte" (de Chien des Pyrénées, de CPMA, de Kuvasz, de
Slovenký Cuvac en de Polski Owcarek Podhalanski) de enige die
volgens de standaard aan de oren gecoupeerde honden toelaat.
Wel moet het om werkhonden gaan. Een ander opvallend verschil
is de oogkleur. Bij de meeste rassen moet die donkerbruin
zijn, maar bij de CPMA van oker tot kastanjebruin. Het hoofd
moet doen denken aan een witte beer. In tegenstelling tot de
andere rassen mag de staart ook in actie niet hoger gedragen
worden dan de ruglijn. |

|
Volgens
de rasgeschiedenis zijn ze waarschijnlijk in Italië gekomen met de
handelsvloot van de Feniciërs, een handelsvolk uit het oostelijk
Middellands Zeegebied. Tevens worden de Grieken genoemd. Andere
opties zijn dat ze met de Romeinse legers uit Azië zijn meegekomen
of via de veehandel tussen Hongarije en Italië. Columella beschreef
hem echter al in de eerste eeuw na Christus.
De schapen verbleven in de
winter op de grazige weiden van Lazio, Toscane en Puglie, terwijl ze
in de zomer verweid werden naar de koelere groene bergen van Abruzzo
en Sibillini. Het ras ontleent de naam aan een deel van de
Apenijnen, dat zuidoostelijk ligt van Rome, Abruzzo en het lager
gelegen Maremma-gebied dat ten noorden van Rome aan de Apenijnen
grenst. In de beide gebieden kwamen aan elkaar verwante grote rassen
voor die zo weinig van elkaar verschilden dat de Italiaanse
kynologie besloten heeft om ze tot één ras samen te smelten. Dat
gebeurde in 1958. Professor Solare schreef de standaard. Opvallend
is dat de standaard voor werkhonden een gecoupeerd oor toelaat. Nog
steeds worden er honden zonder stamboom toegelaten in het stamboek,
omdat er nog regelmatig gefokt wordt met werkhonden, waarvan de
eigenaren het belang van registratie niet inzien. Het is per slot
van rekening een werkdier.
Niet alleen daar, maar ook
in de Verenigde Staten en Australië wordt hij als werkhond zeer
gewaardeerd. In de Verenigde Staten zijn er sinds 1970 Maremma's
geïmporteerd om kudden schapen succesvol te beschermen tegen
aanvallen van coyotes. In Engeland is hij geen zeldzame verschijning
op de show. Ook in Nederland is er een behoorlijke populatie.
boven
|
|
|
|
|
|
|
|
Chien des Pyrénées
|
|
Patou, de
herdershond, die door de Engelsen Lord in white fur genoemd werd, trok net als sommige andere witte herdershonden
de aandacht van de adel. Er zijn dan ook verschillende
anekdotes over edelen, die beschermd werden, gered zijn en
dergelijke door hun dappere Pyreneese berghond. Al vroeg waren
er door de contacten tussen de Franse en de Britse adel ook
berghonden te vinden aan het Britse hof. Het gevolg was dat er
al vrij lang berghonden in Engeland gefokt werden, waardoor er
op de vroege Engelse hondenshows al berghonden werden
ingeschreven. |

|
De
Pyreneese berghond is het enige ras van de vijf witte, die verplicht
dubbele Hubertus- of wolfsklauwen moet hebben. Dat zijn twee van
elkaar gescheiden extra tenen aan de beide achterbenen. Een
eigenaardigheid die vele Franse herdershonden met hem gemeen hebben,
maar in tegenstelling tot wat wel beweerd wordt zijn het niet alleen
de Franse herders die een dergelijke rariteit aan hun honden graag
zagen. Ook in Spanje zijn er meerdere rassen waarbij Hubertusklauwen
gewenst zijn. Een Noors jachthondje, de Lundehund, moet zelfs
dubbele wolfsklauwen hebben aan alle vier de benen. Deze veelheid
treedt ook bij de berghond wel eens op. Door sommige liefhebbers in
Frankrijk wordt dit als een plus beschouwd. Bij de andere vier
rassen, hier vermeld, is het een fout of zijn ze tenminste niet
gewenst. Een berghond is er dus altijd tussenuit te halen. Alleen
daarom: leve de Hubertusklauw.
De schedelvorm van de Chien
des Pyrénées is specifiek voor het ras, maar om ze te
herkennen is het wel nodig dat men zich wat langer in de verschillen
tussen de verschillende witte rassen verdiept. De Pyrenese berghond,
met zijn beerachtige uitstraling ook wel Chien de Montagne des
Pyrénées genoemd, is qua maat en gewicht het grootste ras en
is waarschijnlijkover de wereld ook het meest verbreid. Over de
oorsprong is niet veel bekend. Vermoedens en theoriëen zijn er
evenwel voldoende, want zowel door handelscontacten over de
Middellandse Zee als contacten over land via schapenhandel met het
oosten of anderzins, zouden de stamouders van de witte van de
Pyreneeën daar gekomen kunnen zijn . Het staat in elk geval vast
dat de grote witte van de
Pyreneeën daar al eeuwen werkt.
boven
|
|
|
|
|
|
|
|
Kuvasz
|
|
Over de Kuvasz is
heel veel geschreven. De uitspraak van zijn naam is overigens
'koewas', niet 'koevasj'. Na de Pyrenese berghond is het in
onze streken zeker de meest bekende van het vijftal. Hoewel
het opvallend is dat er de laatste tijd meer Tatrahonden in
het stamboek worden ingeschreven en het feit dat ze op de
shows ook meer te zien zijn. Alle grote witte honden zijn
gebruikt onder dezelfde harde weersomstandigheden, zodat er
aan de honden ongeveer gelijke eisen worden gesteld. |

|
Behalve
de in de eerste eeuwen van onze jaartelling in Centraal-Europa
binnentrekkende volkeren die hun wortels ver achter de Kaukasus
hadden, zijn het de Magyaren, de Hongaren, zelf geweest die aan het
eind van de negende eeuw na Christus daar zijn neergestreken. Later
in de dertiende eeuw zijn daar nog de Kumanen, een Turks volk, op
gevolgd. Zij allen brachten met hun vee honden mee, die van invloed
geweest zijn op het huidige hondenbestand. De Hongaarse heersende
klasse was zeker gecharmeerd door deze indrukwekkende hond. De
verhalen dat één van de meest vooraanstaande koningen van
Hongarije, Mathias I (1458-1490), de Kuvasz gehouden heeft, wordt in
de kynologie graag levend gehouden. In elk geval is zo'n grote witte
een vorstelijk cadeau. Dat hij ook voor de jacht werd gebruikt is
minder bekend, maar van andere grote herdershonden is wel bekend dat
zij voor de jacht op zwart wild (wilde zwijnen) gebruikt zijn.
De Kuvasz is groter dan
zijn neven uit Hongarije en Polen. Het hoofd is zeer adellijk en
typisch. Sierlijker, meer gestrekt dan alle andere. De rastypische
golvende vacht laat wervelingen in het haar zien, die veroorzaakt
worden door vele kruinen. De kammen die daardoor ontstaan, lijken op
afgesneden golven. De leisteenkleurige huid is een opvallend
kenmerk. De staart is iets opgebogen , maar toont beslist geen
krul. De oren staan aan de bovenkant iets af.
boven
|
|
|
|
|
|
|
|
Slovenský Cuvac
|
|
Over de Cuvac, uit te
spreken als 'sjoevatsj', vermeldt de Slovaakse kennelclub een
totaal afwijkende herkomst dan bij de meest witte rassen
vermoed wordt. De hond zou volgens vergelijkend
wetenschappelijk onderzoek van skeletten van huidige honden en
die uit het verleden, verwant zijn aan de witte poolhonden. De
Goten en de bewoners van Pommeren zouden in de eerste eeuw na
Christus vee vanuit het zuiden van Zweden naar de zuidelijker
gedeelten van Europa gedreven hebben. De beleidende honden en
de Pommerse herdershonden zouden volgens deze opvatting aan de
wieg van de Cuvac gestaan hebben. |

|
Aan
het begin van de eeuw zijn veel honden naar Polen en Duitsland
geëxporteerd. Uit het restant heeft Professor Antonin Hruza honden
geselecteerd en begon met fokken van de Tatra Cuvac, die men later
de Slovenský Cuvac is gaan noemen. Het eerste nest werd in 1929 in
het stamboek opgenomen. Vier jaar later werd er een rasvereniging
opgericht. Hruza schreef al in 1947 een rasmonografie over de
Slowaakse herdershond. De internationale erkenning door de FCI kwam
pas in 1965. Sinds 1994 bestaat er zelfs een internationale
federatie van Cuvacclubs. Er zijn grote overeenkomsten van de Kuvasz
en nog meer met de Tartrahond. Ondanks het voorgaande verhaal is dat
niet vreemd. De populaties leven betrekkelijk dicht naast elkaar en
ook qua werk verschillen ze niet veel.
De
minimummaat van de Cuvac maakt dat hij het kleinst mag zijn van deze
rassen. Hoewel de standaard niets zegt over het gewicht, geven
sommige publicaties toch een een aanwijzing, waardoor dit ras, samen
met de Kuvasz en de Maremma, fijner gebouwd is dan een Tatra of
Pyrenese berghond. Net als bij de Tatra (zie onder) zegt de
standaard dat zij uitsluitend wit mogen zijn, maar een geelachtige
schijn bij de ooraanzet wordt toegestaan. In tegenstelling tot zijn
Poolse en Hongaarse witte buren, waarbij een iets vlakke rib
gevraagd wordt, heeft de Cuvac een brede borst met gewelfde ribben.
Hij onderscheidt zich van Kuvasz duidelijk in vacht, maar de stop in
het hoofd lijkt weer veel meer op die van de Kuvasz dan die van de
Tatrahond.
boven
|
|
|
|
|
|
|
|
Polski Owcarek
Podhalanski (Tatra hond)
|
|
De Poolse en
Slowaakse witte hebben beide hun wortels in het Tatragebergte.
De officiële naam van de Tatrahond, Polski Owcarek
Podhalanski, betekent herdershond van Podhale. Podhale is een
streek aan de voet van het gebergte. Net als bij de Maremma in
Italië is een flink deel van de populatie niet geregistreerd.
Ook hier vonden de boeren, ondanks het feit dat ze trots zijn
op hun honden, dat niet nodig. De kynologie had met de
registratie al voor de Tweede Wereldoorlog een aanvang
gemaakt, maar de oorlogshandelingen zorgden dat al het werk
vernietigd werd. Tientallen jaren later heeft men de moed pas
weer kunnen opbrengen om opnieuw te beginnen. |

|
Zijn
maat is geen overtuigend verschil met de zeer verwante Cuvac, maar
het aangegeven gewicht is dat wel. De Tatra moet daarom in
verschijning een forsere hond zijn dan de Cuvac. Het kan niet anders
dan dat de Kuvasz, die aamerkelijk groter mag zijn dan de Tatra,
uitgaande van het aangegeven gewicht in de standaard, verfijnder
toont dan de Tatra. Als enige ras wordt er naast het wit, geen
andere kleur of nuance getolereerd. Allen bij hem de en de Pyrenese
berghond wordt een tanggebit toegestaan. Uitsluitend hij moet een
duidelijke (geen zware) stop hebben, wat hem in het hoofd
onderscheidt. Behalve de grote witte waakhond hebben de Polen een
herdertje dat in de dalen in een fikse draf de schapen hoedt: de
Polski Owcarek Nizinny.
terug
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|